De Afgunst Dichtbij

De Afgunst Dichtbij

Onlangs deed ik mee aan een DJ-contest voor een behoorlijk groot outdoor festival in België. Uit de honderden inzendingen, schopte ik het uiteindelijk tot de 5 finalisten. Een prestatie waar ik met gepaste arrogantie trots op ben. Er schuilde echter één addertje onder het gras: de uiteindelijk winnaar zou bepaald worden via een stemronde op social media. En precies daar wist ik van tevoren al dat mijn avontuur zou stranden. Social media is namelijk mijn grote blinde vlek.

Ik ben op social media ongeveer net zo actief als een tiener op een faxmachine. Ik post zelden iets, ik deel nog minder, en mijn aantal volgers zou je gerust intiem kunnen noemen. Niet omdat ik ze niet zou willen, maar omdat ik allergisch ben voor het online theater van perfect geluk en zorgvuldig gekozen (foto-) hoeken. Social media is oppervlakkigheid ten top. Ik heb simpelweg geen zin om mee te doen aan de eindeloze optocht van gescripte levens, aan de “kijk mijn leven eens geweldig zijn”-cultuur. Ik geloof niet in selfies onder een palmboom met de caption “blessed”. Het dwangmatig vissen naar complimentjes en “likes” is meer iets voor de narcisten onder ons (you know who) – niet voor mij. En dat is natuurlijk prima – behalve als je stemmen nodig hebt van diezelfde platforms.

Mijn “fanbase” bestaat voornamelijk uit familie en vrienden. En je zou denken dat juist zij staan te trappelen om op je te stemmen. Maar gek genoeg doen ze dat juist niet. Niet omdat ze je niet mogen, maar omdat het blijkbaar iets ongemakkelijks en confronterends heeft om een stem uit te brengen op iemand die je kent; te moeten erkennen dat iemand in je omgeving een stap voorligt – op welk gebied dat ook moge zijn. En stemmen op een bekende is blijkbaar precies dat: erkenning dat die ander ergens beter in is. En laten we eerlijk zijn, dat schuurt. Al geven we dat liever niet toe. Liever zeggen we dat we de post niet zagen. Of dat we op vakantie waren, toevallig naar dat ene land waar ze nog geen internet hebben. Of wel wilden stemmen, maar – dankzij onze ADHD – op weg naar de stempagina werden afgeleid door een filmpje over hoe je een avocado kan ontpitten zonder meteen een bloedbad aan te richten. En daarna waren we natuurlijk even helemaal kwijt wat we nou eigenlijk aan het doen waren…

En dat zag je terug in de cijfers. Van de 150 stemmen die ik uiteindelijk kreeg, kwamen er welgeteld 20 van mensen die ik ken. De andere 130 kwamen van complete vreemden – mensen die mij helemaal niet kennen, maar blijkbaar wél mijn muziek waarderen en mij de winst gunnen. 

Gek genoeg had ik dat allemaal wel verwacht. Daarom had ik, als sociaal experiment, tegelijk met mijn oproep om te stemmen, mijn profielfoto veranderd in een babyfoto van mezelf. Lief koppie, guitige blik (die had ik toen ook al 😁). Binnen no-time tientallen likes. Als diezelfde mensen even verder hadden geklikt naar die stemknop, had ik komend weekend op dat festivalpodium gestaan. Maar ja – het liken van een babyfoto voelt kennelijk veiliger dan het steunen van iemand die ergens in uitblinkt. Dat vraagt immers om een mate van zelfreflectie die moeilijk verteerbaar is zonder maagzuurtabletten. Het klinkt misschien hard, maar het is niets anders dan verborgen afgunst van de mensen die het dichtst bij je staan.

Het is een patroon dat ik al mijn hele leven herken. Zodra je ergens boven uitsteekt, proberen mensen – vooral die in je naaste omgeving – je eronder terug te duwen. Niet met opzet, niet uit kwaadaardigheid, maar uit iets menselijks. We zeggen allemaal dat we succes anderen gunnen – zolang het onszelf maar niet dwingt naar ons eigen gebrek eraan te kijken. Zeker als dat succes zo dichtbij is dat het ruikt naar jouw eigen gemiste kansen.

Maar goed. Voor mij zit de echte bevestiging in het feit dat de organisatie me uit honderden inzendingen selecteerde als finalist. Een festival van dit formaat zet geen middelmaat op hun short-list. Dat ze mij tot de laatste vijf rekenden, zegt mij genoeg. Het is prettig om te weten dat ik in ieder geval op de goede weg zit.

Al hou ik dat besef beter voor me. Want uitblinken is één ding – maar er openlijk op reflecteren met iets dat op zelfvertrouwen lijkt, wordt al snel geïnterpreteerd als arrogantie. En dat is blijkbaar een zonde waarvoor geen vergiffenis bestaat.

– Cliff

Leave a Reply