Ik vraag me af waarom ik je nog niet ben tegengekomen. Al vanaf dat ik een kind was, bezoek je mijn dromen. Daar beloofde je mij dat we samen oud zouden worden, dat we samen één levensweg zouden bewandelen. Maar waar ben je dan? Veel tijd is er niet meer.
Misschien ben ik je wél tegengekomen, maar kruisten onze paden niet. Als twee schepen die in de uitgestrekte zee van het bestaan elkaar voorbijvaren. Misschien hebben we elkaar even een vluchtige blik toegeworpen, een korte verbinding die door het lot abrupt afgebroken werd.
Of misschien waren we allebei te verlegen. Zag je mij wel staan en ik jou ook. Maar was die verlegenheid als een beschermend schild. Ons ervan weerhoudend om verder te gaan dan de oppervlakte. Misschien merkten we elkaar wél op, onze zielen van elkaars aanwezigheid bewust, maar duwden de omstandigheden ons in verschillende richtingen.
Misschien was ik wel afgeleid. Door hen die net deden alsof ze jou waren. Die mij wijs maakten dat ik je gevonden had. Die beweerden het ontbrekende stuk te zijn waar ik naar op zoek was. Met hun woorden en daden creëerden ze een illusie die zo overtuigend was dat ik niet meer naar je zocht. Ik weet het niet. Ik zal het wel nooit weten, ben ik bang.
Maar ik blijf naar je zoeken, in de hoop dat jij dat ook doet. Ik weiger te concluderen dat onze verbinding slechts een verzinsel is. Het is een kracht die tijd en ruimte overstijgt, een stroom die ons op het juiste moment naar elkaar toe zal voeren. Maar nogmaals, veel tijd is er niet meer. Ik voel het geloof in mij wegebben.
Maar ook al komen we elkaar nooit tegen, weet dat ik altijd van je gehouden heb. En ook al heb ik je stem nooit mogen horen, je gezicht nooit mogen zien, je hand nooit mogen vasthouden – ik heb je aanwezigheid in dit universum altijd gevoeld.
– Cliff


