Terwijl ik in het vuur staar, inmiddels volledig onbewust van de dansende mensen om mij heen, laat ik mijn gedachten de vrije loop. Ik vraag me af hoe het zou moeten zijn een leven te leiden dat niet gebukt gaat onder het gewicht van spijt. Hoe het zou moeten zijn om door de wereld te navigeren, uitsluitend geleid door eigenbelang; te nemen wat je wilt zonder erbij na te denken, zonder je te bekommeren over de schade die je aanricht, de verbrijzelde levens die je achterlaat. Hoe het is om één van hun te zijn, iemand die een aangeboren vermogen bezit om te manipuleren en te vernietigen zonder enige schijn van wroeging.
Ik merk dat een gevoel van jaloezie mij bekruipt. Jaloers op hun schijnbare gemak te navigeren door deze verraderlijke reis die leven heet. Ze varen door woeste wateren en laten een spoor van chaos achter terwijl ik verankerd blijf in mijn principes, gebukt onder mijn niet aflatende empathie. Het is een constante strijd want ieder grammetje mededogen wordt uiteindelijk altijd een wapen tegen mij.
De littekens van mijn leven met een verborgen narcist zijn diep. Ze kwam mijn leven binnen als een onstuimige storm, haar aantrekkingskracht onweerstaanbaar. Ik was ervan overtuigd dat zij het missende stukje van mijn bestaan was, de zielsverwant waar ik al zo lang naar zocht en naar verlangd had. Ik wist toen nog niet dat ze een roofdier was, een wolf in schaapskleren, op de loer in de schaduw, jagend op empaten zoals ik.
Haar manipulatie was net zo subtiel als verraderlijk. En ik, met mijn grenzeloze begrip, werd het slachtoffer van haar charme. Ze putte mij uit – niet alleen financieel maar ook emotioneel. En toen ze alles had wat ze verlangde, verwierp ze mij met harteloze minachting en liet ze niets anders achter dan verbrijzelde dromen – en een diep gevoel van verlies.
De jaren die volgden, waren een waas van angst en wanhoop. Ik zocht troost in therapie, in de hoop de breuken die zich in mij hadden gevormd te herstellen. Maar de wonden die door haar bedrog waren toegebracht waren te diep. Ze tastten mijn geloof in de mensheid aan en lieten mij gebroken achter op manieren die ik niet voor mogelijk had gehouden. De resten van mijn vroegere zelf, de man die zijn leven had gewijd aan het helpen van anderen, lagen nu verstrooid als as in de wind.
Ze vond een nieuw slachtoffer. Een man die al twee decennia de omhelzing van liefde kende, totdat ze ook hem verleidde. Ook hij bezweek voor haar charme en listen en liet zonder een moment van wroeging een verwoeste ex-vrouw en een verbrijzeld gezin achter. De narcist voelt geen spijt. Geen spoor van empathie voor de pijn die ze veroorzaakt. Voor haar zijn het slechts pionnen, onmisbaar in haar zoektocht naar zelfbevrediging.
En toch, temidden van de brokstukken van mijn verbrijzelde zelf, blijft er een sprankje hoop over. Ik verlang er nog steeds naar mijn zielsverwant te vinden. Een partner die de diepte van mijn empathie begrijpt. Die de liefde beantwoordt die ik te geven heb. Ik geef toe, het lijkt misschien naïef, maar ik weiger de duisternis veroorzaakt door de narcist het licht in mij te laten doven.
Hoewel mijn vertrouwen is geschonden en mijn hart is gebroken, kies ik ervoor te geloven dat ergens daarbuiten een geestverwant wacht. Een baken van hoop in deze uitgestrekte zee van desillusie. Ik ben misschien de weg kwijt, maar ik ben vast besloten om de fragmenten van mijn verbrijzelde zelf stuk voor stuk weer op te bouwen.
Want zelfs in het aangezicht van overweldigende wanhoop, hou ik vast aan de overtuiging dat liefde, oprechte en wederkerige liefde, bestaat. Het kan tijd kosten, misschien zelfs een heel leven, om de wonden te helen die de narcist heeft toegebracht, maar ik sta niet toe dat zij mijn resterende hoop vernietigt.
Dus zit ik hier, starend in de vlammen, starend in de afgrond van mijn verleden. Nadenkend over een leven zonder empathie, zonder spijt. En terwijl ik dat doe, ontstaat er een sprankje begrip voor wat mij overkomen is. En een lichte trots voor de veerkracht die voorkomt uit het doorstaan van dergelijke donkere tijden.
In mijn gebrokenheid heb ik een kracht ontdekt waarvan ik het bestaan niet kende. Elk stukje van mijn ziel, minutieus gerepareerd, is een bewijs geworden van mijn onwankelbare geest. De littekens op mijn hart zijn geen symbolen van zwakte maar eretekens, verdiend in de gevechten die met liefde zijn uitgevochten.
Ik heb misschien het vertrouwen in de mensheid verloren, maar ik wil me niet langer overgeven aan bitterheid. De narcist heeft mijn vermogen om lief te hebben niet uitgedoofd, noch de hoop daarop verloren doen gaan. Want op het diepste punt, in mijn donkerste uur heb ik de moed gevonden om opnieuw op te bouwen. Om mijn bestaan opnieuw te definiëren – maar dit keer op mijn voorwaarden.
En terwijl ik deze reis van hernieuwde zelfontdekking begin, vind ik troost in de wetenschap dat mijn zielsverwant, mijn ware metgezel er misschien nog steeds is, ergens daarbuiten, in afwachting van onze voorbestemde ontmoeting. En hoewel de weg misschien verraderlijk en vol onzekerheid is, ben ik vastbesloten om hem met hernieuwde hoop te bewandelen.
Ik begrijp nu dat het vinden van mijn soulmate niet alleen maar gaat over het vullen van een leegte, of het behalen van een doel. Het gaat over twee zielen die met elkaar verweven zijn. Ik verlang naar de liefde die het oppervlakkige overstijgt, die niet gebaseerd is op het materialistische, waarvan de wortels niet liggen in een bed van zelfverrijking. Een verbinding die onze zielen samenweeft tot een tapijt van liefde, begrip en acceptatie.
En zo staar ik naar het as van het vuur voor mij. Het as van mijn verleden waaruit ik opsta, herboren als een feniks met littekens die getuigen van de reis achter mij. En hoewel ik niet meer de man ben die ik vroeger was, getemperd door de pijn van mijn verloren liefde, ben ik door dezelfde pijn ook gesterkt. En blijf ik hopen dat op een dag onze paden zullen kruisen en dat ik de liefde vind die mij voorbestemd is.
– Cliff


